|
||||
| ||||
(voor de noten klik hier onder aan het document.) (zie ook de verkorte versie, hier, op de website De Nieuwe Reporter.)
De website "Publiek Centraal" over de publieke omroep kent ook een nieuwsrubriek. Op 13 juli werd verslag gedaan van een kort interview met het Tweede Kamerlid Atsma 2).
De heer Atsma zegt daarin: "De publieke omroep is heel goed stuurbaar. Het probleem is alleen dat iedereen het stuur de andere kant op wil trekken. De omroepen zijn het niet eens met de Raad van Bestuur, de Raad van Bestuur is het niet eens met Den Haag en Den Haag is het niet eens met Hilversum. Dat gaat al jaren zo." 3)
Uit de Mediawet valt rechtstreeks af te leiden dat de landelijke omroep niet makkelijk (in de zin van adequaat, efficiënt en effectief) is te besturen. Verschillende wettelijke bepalingen wekken verwarring of werken belemmerend op de besluitvorming. Bovendien zijn in de loop van de vele wetswijzigingen van de Mediawet (ingevoerd in 1989) niet alle gewenste wijzigingen consequent doorgevoerd.
Aan de hand van enkele regelingen in de Mediawet wordt aangeduid waar wettelijk de schoen wringt.
1. NOS: het samenwerkings- en coördinatieorgaan 4)
De landelijke omroep ("het bestel") is opgebouwd rond zelfstandige omroepinstellingen 5). De NOS is binnen dat geheel "het samenwerkings- en coördinatieorgaan van de landelijke omroep." 6) Dit is nog eens bevestigd met de wetswijziging van 2000 7).
De samenwerkingstaak van de NOS is enigszins uitgewerkt: de samenwerking en coördinatie binnen de landelijke omroep te bevorderen. Maar in de loop der tijd zijn (ook bij de aangehaalde wet uit 2000) alle bepalingen die inhoud of vorm geven aan het begrip "samenwerkingsorgaan" uit de wet geschrapt. Volgens de geldende wet mogen de omroepinstellingen bovendien hun eigen samenwerking niet meer mee-besturen.
Er is weliswaar een "college van omroepen" maar dat mag alleen adviseren over het programmabeleid. Het college wordt een "orgaan" genoemd, maar in de zin van het rechtspersonenrecht is het zelfs dat niet (het college draagt geen bestuursverantwoordelijkheid, in het kort gezegd). Het college is slechts een programma-adviesraad, te vergelijken met de programma(advies)raad van de NPS 8).
Bijzonder aan de (resterende) samenwerking is wel dat de omroepinstellingen (behalve de NOS en de NPS; de STER staat hier buiten;), in hun vijfjaarlijkse beleidsplannen 9), samenwerking moeten beloven (in "voornemens en afspraken"), met de andere instellingen. Ook die samenwerking heeft echter geen bestuurlijk kader meer. De netbesturen als laatste restje van samenwerkingsbestuur zijn verdwenen 10). Wel zijn er nog de netredacties: ten behoeve van de coördinatie op een net wordt de raad van bestuur bijgestaan door een netredactie. Deze redacties hebben echter geen bevoegdheden.
Een ander bijzonder aspect aan het ontbreken van een samenwerkingskader is, dat het nu in de landelijke omroep alleen nog maar gaat om "de macht". Hoewel het wettelijk al een uitgemaakte zaak is (de NOS is beslissingsbevoegd), zijn er nog steeds tekenen van strijd binnen de landelijke omroep over de beslissende invloed.
Het op samenwerking gerichte wettelijk raamwerk ontbreekt; de kernfunctie van de NOS is in de lucht komen hangen 11). Het is bovendien lastig samenwerken, als het samenwerkingsorgaan - de NOS - bij uitstek het alleenbeslissingrecht heeft.
Waar de Mediawet uitgaat van externe pluriformiteit, door de erkenning van omroepverenigingen, is het nodig dat die pluriformiteit ook in wettelijke zin wordt vormgegeven of wordt gewaarborgd. Bepalingen daaromtrent ontbreken echter. Weliswaar bepaalt iedere instelling inhoud en vorm van haar programma 12) , maar de RvB bepaalt welke pluriformiteit gewenst is (naar tijdstip, uitzendomgeving en vorm).
2. NOS: Januskop
De NOS is in de loop der wetswijzigingen een bestuursorgaan geworden, zelfs een "zelfstandig bestuursorgaan" 13) 14). Maar de NOS is ook omroepinstelling 15(naast de andere omroepinstellingen) die een programma dient te verzorgen. De vraag is nu waar het grensvlak ligt tussen de taakuitoefening van de NOS als bestuursorgaan en als omroepinstelling en of dat grensvlak duidelijk gemarkeerd is. Een dergelijke markering is noodzakelijk, niet alleen ten behoeve van het besturen van de NOS, maar ook ten behoeve van het bestuur van de landelijke omroep in zijn geheel.
De NOS heeft, als omroepinstelling, belangen, die haar functioneren als bestuursorgaan in de weg staan en andersom.
In de tijd dat de omroepinstellingen die het aanging nog deel uitmaakten van het bestuur van de NOS, speelde de grensvlakproblematiek, in formele zin, minder, omdat de instellingen zelf beslisten over de algemene regelingen die de NOS bevoegd was te geven en die voor alle instellingen bindend waren. Nu deze natuurlijke grens is weggevallen, valt juist het gebrek aan formele contouren van de NOS-bevoegdheden op. Ook de door de NOS vastgestelde gedragscode goed bestuur en integriteit biedt op dit punt geen inzicht 16).
In die zin is het te betreuren dat ooit het woord "publieke omroep" is bedacht voor de openbare, algemene omroep en dat de ideeën daarover vervolgens zijn verbonden met begrippen uit de overheidssfeer 17) en in de wet zijn overgenomen. Een connotatie met "algemeen belang" of een verband met de ontwikkelingen in de samenleving had meer voor de hand gelegen en was ongetwijfeld beter bestuurbaar gebleken.
3. CAO's
De collectieve arbeidsovereenkomsten die de NOS, met de Wereldomroep sluit, zijn althans volgens de letterlijke wetsteksten geen CAO's in de zin van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst. De NOS is geen werkgeversvereniging en kan dat ook niet meer bij wijze van fictie aanvoeren, nu de omroepinstellingen die het aangaat niet meer in het bestuur mede-bepalend zijn. De vraag is ook of de betreffende bepaling van de Mediawet 18) niet in strijd is met de grondwet en internationale verdragen. In aansluiting op het vorige punt: in welke hoedanigheid treedt de NOS als CAO-ondertekenaar op; als zbo? als privaatrechtelijk vertegenwoordiger van de instellingen?
Het ware aan te raden dat de omroepinstellingen (zonder NOS) direct een (werkgevers)branchevereniging oprichten.
4. Raad van toezicht NOS
Opvallend is de bepaling dat de leden van de raad van toezicht (de raad als orgaan dus niet?) van de NOS zich bij de vervulling van hun taak richten "naar het gemeenschappelijke belang van de landelijke publieke omroep" (bedoeld zal zijn: landelijke omroep) 19). In de MvT bij het betreffende wetsvoorstel: "De raad van toezicht draagt met het oog op de wettelijke (en maatschappelijke) taakopdracht van de publieke omroep mede zorg voor een goed functionerend publiek omroepbedrijf. Vanuit die optiek worden beslissingen genomen." 20) Een zelfde bepaling is er echter niet voor (de leden van) het bestuur van de NOS. Dit levert in het besturen van de NOS een lastig probleem op; de RvT kijkt anders en ruimer, met een breder horizon, dan de RvB, wettelijk gezien. Ik ga daarbij voorbij aan de vraag of een RvT, als orgaan van een rechtspersoon, andere belangen mag dienen dan het belang van de rechtspersoon zelf.
Het is weliswaar een taak van de NOS om aangelegenheden te behartigen die van gemeenschappelijk belang zijn voor de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep. Maar dat is toch een andersoortige bepaling, dan dat de NOS zich in de uitoefening van haar taken dient te richten naar het gemeenschappelijke belang van de landelijke omroep.
Het is heel vreemd met die extra toevoeging van het werkkader van de RvT; óf de zorg voor het publieke omroepbedrijf is een taak van de NOS en dus van het NOS-bestuur en dan is die toevoeging overbodig, óf die zorg is geen taak van de NOS en dan past de toevoeging niet. Of het is slechts bedoeld als accentuering, van iets dat vanzelfsprekend is;dan nog blijft het vreemd dat de RvB niet ook expliciet met die taak is bedeeld.
5. Invloed minister
De invloed van de minister op het reilen en zeilen van de landelijke omroep is groot. Zie o.m.: - de minister benoemt o.a. voorzitter en bestuursleden van de NPS, de voorzitter van de NPS programmaraad; de minister moet instemmen met de benoeming van de leden van het NOS-bestuur; de Kroon benoemt de leden van de NOS-raad van toezicht; - de minister doet de voordracht voor de verlening van het concessie-KB, op basis van een beleidsplan van de NOS; - de minister erkent omroepverenigingen en de educatieve omroepinstelling, op basis van beleidsplannen; - de minister keurt statuten goed (van NOS, NPS, educatieve instelling); - de minister wordt geïnformeerd bij tussentijdse wijzigingen in beleidsplannen en kan bedenkingen uiten; - de minister sluit een prestatieovereenkomst met de NOS; - de minister moet instemmen met de NOS-begroting 21); - de minister bepaalt de bedragen die beschikbaar zijn voor de uitoefening van de taken; - de minister stelt, onder de naam rijksomroepbijdrage, jaarlijks een minimumbedrag ter beschikking.
De laatste twee genoemde bevoegdheden zijn discretionair, met dien verstande dat de minister impliciet gehouden is 22) - te waarborgen dat voorzien wordt in publieke omroep, op onafhankelijke wijze door verzorging van publieke omroepprogramma's, - te voorzien in een bekostiging, die een kwalitatief hoogwaardige programmering mogelijk maakt, - waardoor continuïteit van financiering gewaarborgd is.
De minister heeft aldus directe invloed op het bedrijf van de landelijke omroep. Met enige overdrijving kan gesteld worden dat de minister mede-bestuurder is. Zowel de minister als de NOS dragen verantwoordelijkheid voor het besturen van de landelijke omroep.
Waarbij niet vergeten mag worden dat ieder bijzonder besluit van de NOS en ieder incident in de landelijke omroep ook aanleiding is voor Kamervragen. Met de antwoorden hierop raakt de minister, indirect, nog nauwer betrokken bij het bestuur van de landelijke omroep.
Waar twee instanties zo nauw betrokken zijn in het besturen van organisaties, kan dat pas vruchtbaar werken, als duidelijkheid bestaat over ieders koers en visie met betrekking tot het gemeenschappelijke onderwerp, met uiteraard als voorkeur dat koers en visie gedeeld worden (zie punt 7).
6. Taak publieke omroep
De Mediawet omschrijft sinds 2000 expliciet de taak van de publieke omroep 23). De NOS geeft op zijn website een "missie en strategie" 24), zonder verwijzing naar de wettelijke taak en met daarin een andere omschrijving dan de wettelijke. In "Met het oog op morgen" 25) heeft het kabinet (naar eigen zeggen) een nieuwe kijk gepresenteerd op de betekenis van de publieke omroep. In het wetsvoorstel Mediawet 20).. heeft de regering een "publieke mediaopdracht" geformuleerd 26). Eens in de vijf jaar biedt de NOS een (tussentijds) concessiebeleidsplan 27), samen met de beleidsplannen van de omroepverenigingen en de educatieve omroepinstelling. Er zou een prestatieovereenkomst moeten zijn gesloten 28) . "Regelmatig" wordt de landelijke omroep beoordeeld door een commissie van buitenstaanders: de visitatie 29).
Ondanks al deze formele beschrijvingen, wordt niet duidelijk hoe de taak inhoudelijk wordt gezien, hoe die wordt uitgevoerd en hoe het zou moeten. Het is opvallend dat de kernzinnen ("evenwichtige wijze een beeld" en over de samenstelling van het publiek) uit de wettelijke taakomschrijving niet worden gehanteerd als (inhoudelijk) referentiekader.
Er blijkt derhalve geen - gedeelde - kijk (of visie of concept) te bestaan op de taak van de landelijke omroep en de uitvoering daarvan. Noch de NOS (in de beleidsplannen, begrotingen en verslagen) , noch de minister blijkt gelegenheid te hebben gevonden om een inhoudelijke visie over de publieke omroep te ontwikkelen. Ook de visitatiecommissie heeft bij de beoordeling van de landelijke omroep geen indruk gegeven van inhoud en uitvoering van de taak.
Nu de (gedeelde) kijk ontbreekt, kan ieder, min of meer impliciet of expliciet, van alles beweren over de landelijke omroep en over de wenselijke organisatie van het bestel. Het besturen door NOS en door minister wordt daardoor bemoeilijkt, zo blijkt ook in de praktijk.
Een mogelijke visie zou kunnen worden opgebouwd rond: - wat is minimaal noodzakelijk aan publieke omroep als basisvoorziening in het land en voor de samenleving, zonder welke voorziening het land (op den duur) verarmt? - welke (publieke) mediavoorzieningen verrijken de samenleving? - hoe wordt dan aan de wettelijke opdracht voldaan * wordt op evenwichtige wijze een beeld gegeven en wordt een evenwichtig beeld gegeven (cf. taak NPS) * wordt "iedereen" bereikt?
Het is niet duidelijk waarom een koers en visie voor de landelijke omroep niet tot stand komt; bekend is wel dat dit gebrek aan visie-ontwikkeling vaker voorkomt in omstandigheden, waar een overheid en een instelling zich min of meer intensief bezighouden met het zelfde werkgebied. De instelling zou het initiatief moeten nemen, maar juist die wacht de acties van de overheid af, zeker als blijkt dat de overheid uit politieke overwegingen "nieuw beleid" wil gaan maken. De overheid, op haar beurt, kent het werkgebied onvoldoende en zij heeft geen ervaring met de dagelijkse praktijk; ook zij ontwerpt geen blik naar de toekomst met visie, kijk en koers.
7. Uitvoering taak door concessiehouder, erkenden en de NPS
Aan de NOS wordt een zogenaamde concessie 30) verleend voor de verwezenlijking van de taak van de publieke omroep op landelijk niveau 31).Voor de uitvoering van de concessie is de NOS aangewezen op door de minister erkende omroepverenigingen en de educatieve omroepinstelling. Samen met de NPS kunnen deze instellingen alle als "concessiedeelnemers" beschouwd worden 32). Deze concessiedeelnemers zullen, met de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag en met de STER, de taak van de landelijke omroep moeten uitvoeren. Elke instelling is gebonden aan programmavoorschriften: de bepalingen omtrent het gebruik van de toegewezen zendtijd 33).
De wet gaat er impliciet van uit, dat het totaal aan instellingen met het geheel van hun programmavoorschriften, in staat is om de taak van de landelijke omroep te vervullen. Mét het verlenen van de concessie en de erkenningen en met het toekennen van de jaarlijkse bedragen wordt deze opvatting uitdrukkelijk door de minister (en de regering) gesanctioneerd.
Als de NOS, als concessiehouder, echter op enig moment van opvatting is dat ter wille van de taak van de landelijke omroep andere accenten in de programmering nodig zijn, dan zal zij een beroep moeten doen op de andere omroepinstellingen en met name op de NPS. Zelf heeft de NOS een beperkte programmeringstaak, die weinig ruimte overlaat voor veranderende inzichten. Ook de omroepverenigingen en de educatieve instellingen zijn beperkt in wettelijke taak, uitzendtijd en geld. De taak van de NPS daarentegen is van oudsher (al sinds de oprichting, als afsplitsing van de toen grotere NOS) onbeperkt 34). Daarmee is de NPS (en niet de NOS) in feite en ook juridisch de hoedster van de landelijke omroeptaak!
De NPS behoeft echter geen erkenning, ze hoeft ook geen plannen in te dienen voor het verkrijgen van zendtijd (de programmastichting heeft zendtijd op grond van de wet 35). Het bestuur en de programmaraad van de NPS beoordelen, volgens de wet, zelf of het programma van de NPS samen met het programma van de andere instellingen een evenwichtig beeld biedt van de verscheidenheid in Nederland. De NPS completeert uit eigen hoofde de volledige taak van de landelijke omroep!
Dat het in de huidige omroeppraktijk wellicht soepeler verloopt dan hier geschetst, moge duidelijk zijn. Dat de NOS echter niet een volledig juridisch instrumentarium heeft om zijn taak als concessiehouder uit te voeren, eveneens.
8. Kwaliteit en kwantiteit
Naast de problemen die direct gerelateerd aan de wettelijke bestuursstructuur, is er tenminste één te noemen, die slechts indirect verband heeft met de wetsteksten en die nauw samenhangt met de problemen beschreven onder 6: het denken en sturen in marktaandelen.
Ondanks bezweringen van het tegendeel, wordt de landelijke omroep beheerst door en bestuurd aan de hand van de kijk- en luistercijfers en marktaandelen. Noch de minister, noch de NOS hebben methoden ontwikkeld om de uitvoering van de taak van de landelijke omroep inhoudelijk te beschrijven, te waarderen en te toetsen. Men vlucht in marktaandelen-metingen. Uit het kijktijdaandeel (KTA) is helaas geen notie af te leiden, omtrent de programmatische uitoefening van de taak van de landelijke omroep, behalve wellicht ten aanzien van de breedte en algemeenheid van het kijkend en luisterend publiek en mogelijkerwijs van de bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling. Ook in het vastgestelde najaarsschema 36) is het KTA weer leidraad.
Deze tweespalt in opdracht (kwalitatief) en beoordeling door meting (kwantitatief) maakt de besturing van de landelijke omroep er niet makkelijker op. Aan de hand van kijk- en luistercijfers alleen is de publieke omroep niet te besturen.
9. Conclusie
Je kan je goed voorstellen dat een parlementariër zegt dat de publieke omroep goed bestuurbaar is. Immers, iedere parlementariër heeft met zijn mogelijkheden bijgedragen aan het omroepbestel zoals dat nu functioneert. Het is echter aantoonbaar dat in de loop van de historie de Mediawet steeds minder coherent geworden is. Met de thans geldende wet is het niet goed mogelijk om het bestel in goede banen te leiden.
De omroepverenigingen maken nog steeds deel uit van de landelijke omroep; daarmee is de noodzakelijke pluriformiteit extern georganiseerd. De wettelijke kadrering daarvan is echter onvoldoende. Als gekozen wordt voor externe pluriformiteit, dan moet die veelvormigheid ook metterwet vorm worden gegeven. Zoals ook iedere andere vorm van pluriformiteit met wettelijke waarborgen gestalte moet krijgen.
Anders dan de heer Atsma meent, kunnen de omroepen niet meer aan het stuur trekken. De laatste grote wetswijziging heeft juist de omroepen uit het bestuurlijk circuit geschrapt. Blijft over dat de twee kapiteins ("Den Haag" en "Hilversum") geen herkenbare koers bepaald hebben, of een visie over de taak van de landelijke omroep hebben ontwikkeld, laat staan dat ze die gedeeld hebben. De bestuurbaarheid van de landelijke omroep loopt daardoor groot gevaar.
De Mediawet biedt momenteel niet het juiste instrumentarium om de landelijke omroep op orde te brengen en te besturen.
De taak van de landelijke omroep is niet in de bestuurlijke bestel-organisatie geïmplementeerd.
noten
1 Met dank aan P. Westerhoud, eveneens associé van de Cum Suis Groep in Zutphen, voor zijn commentaar op een eerdere versie. 2 Zie "Joop Atsma (CDA): 'De publieke omroep is heel goed stuurbaar...' in http://misc.omroep.nl/wordpress/?p=293 . 3 Ik ga er dan aan voorbij dat bedoeld zal zijn: - de landelijke omroep; (de publieke omroep omvat ook de locale en de regionale omroepen en de Wereldomroep;) - dat "bestuurbaar" in plaats van "stuurbaar" gelezen moet worden; - dat sinds de wetswijziging van 2005 "trekken aan het stuur" geen steun meer vindt in de wet (de omroepen maken geen deel meer uit van het omroepbestuur). 4 Voor alle duidelijkheid: met "NOS" wordt bedoeld de Nederlandse Omroep Stichting, in al haar facetten. De NOS heeft blijkens het Handelsregister twee handelsnamen: "NOS" en "Publieke omroep". "NOS" is ook ingeschreven als woordmerk. Het onderscheid dat de NOS hanteert in het gebruik van de twee handelsnamen is niet duidelijk. Vermoedelijk is bedoeld om "Publieke omroep" te gebruiken als handelsnaam voor (de functies van) het zelfstandig bestuursorgaan of wellicht het samenwerkingsorgaan en "NOS" als naam voor de specifieke activiteiten als omroepinstelling. Komisch wordt het overigens als de raad van bestuur zich aanduidt als raad van bestuur Publieke Omroep en zich als zodanig uitlaat over de publieke omroep (zoals bijv. in de "richtlijnen en regelingen goed bestuur en integriteit publieke omroep", november 2005). zie ook aantekening over het Hilversums jargon hier 5 De landelijke omroepinstellingen zijn: de omroepverenigingen, de NPS, de NOS, de educatieve omroepinstelling en de STER. 6 Mediawet art. 16 hier. 7 Wet van 23 maart 2000, Stb. 138 8 De programmaraad van de NPS adviseert over het programmabeleid van de NPS (Art. 15a Mw hier). Dit is anders bij de programmaraad van de educatieve omroepinstelling: deze "bepaalt" het programmabeleid. (Art. 25 Mw hier.) 9 Deze beleidsplannen zijn voorwaarde voor (tussentijdse) concessie van de NOS en voor de erkenning van andere instellingen (behalve NPS en STER) 10 Op een vergissing in art. 41b na, waarin het "netbestuur" is blijven staan (hier). 11 Met het voorstel Mediawet 20.. (kamerstukken 30571) wordt een geheel ander omroepbestel voorgesteld. De NOS is geen samenwerkingsorgaan meer, maar voert op landelijk niveau de publieke mediaopdracht uit (art. 2.2 hier).
In het voorstel Mw20 komt het college van omroepen nog steeds voor (overigens niet meer als orgaan, art. 2.13 hier); het adviseert over beleid inzake het media-aanbod van de landelijke publieke mediadienst, in het bijzonder met betrekking tot de pluriformiteit. 12 Art. 48 Mw hier. 13 Zie Kamerstukken 27426 Kaderwet zelfstandige bestuursorganen stuk nr. 5; zie ook het zbo-register via overheid.nl 14 De overgang van de NOS, als privaatrechtelijk samenwerkingsorgaan (vanaf 1946, met de oprichting van de Nederlandsche Radio Unie) naar publiek bestuursorgaan (en nog slechts in naam samenwerkingsorgaan) is louter door de wetgever tot stand gebracht. 15 Of zou de functie "NOS-omroepinstelling" ook deel uitmaken van het zelfstandig bestuursorgaan NOS? 16 Bij besluit van 15 november 2005, gepubliceerd op internet heeft de NOS "richtlijnen en regelingen goed bestuur en integriteit publieke omroep" vastgesteld; deze regeling geldt voor de omroepinstellingen binnen de landelijke (dus ook NOS, NPS en STER); Kennelijk niet, zoals de wet voorschrijft, voor alle instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep. (artt. 16 vijfde lid, 21 eerste lid sub e). De regeling geldt ook niet voor de locale en regionale omroepinstellingen. Voor de regeling zie: http://portal.omroep.nl/nossites?nav=vxpysCsHjCqBfEnCeB 17 Zie hiervoor ook Prof. mr. G.A.I. Schuijt , Kroniek van het Nederlandse mediarecht 1998-2001 (http://www.ivir.nl/publicaties/schuijt/kroniek1998-2001.html ) 18 Mw art. 16.2.k: het in samenwerking met de Wereldomroep ... sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten, mede in naam van de instellingen die zendtijd hebben verkregen voor landelijke omroep...
De vergelijkbare bepaling komt in art. 2.2.g Mw20 voor: mede in naam van licentiehouders, de STER en kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag.
Onder de Omroepwet (van kracht tot 1988): het in samenwerking met de Wereldomroep ... sluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten onder goedkeuring van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken. (art. 39 lid 2 onder g) 19 In Mw20: Bij de vervulling van hun taak richten de leden van de raad van toezicht zich naar het algemeen belang van de landelijke publieke mediadienst. (art. 2.6 lid 2 hier). 20 Kamerstukken 29991, 3, blz. 13 21 Mw. art. 16 lid onder k; zonder instemming van de minister over de begroting kan de NOS geen CAO's afsluiten 22 Mw art. 110 hier. 23 Mw art. 13c hier. Kern van die taak is: - op evenwichtige wijze een beeld geven van de samenleving en van de onder de bevolking levende interesses en inzichten op maatschappelijk, cultureel en levensbeschouwelijk gebied; - de programma's zijn gericht op zowel een breed en algemeen publiek als op bevolkings- en leeftijdsgroepen van verschillende omvang en samenstelling. 24 Zie http://portal.omroep.nl/nossites?nav=vxpysCsHjCqBfEnCeB 25 Kamerstukken 29800 VIII 234: Kabinetsvisie op de toekomst van de publieke omroep 26 voorstel wet art. 2.1(hier). 27 Zie http://portal.omroep.nl/nossites?nav=mgzkwCsHjCqBfEnCgEpB 28 Art. 30b, zevende lid. Die overeenkomst is voor de lopende periode niet gesloten; zie kamerstukken 30300 VIII, 59. 29 In 2005 bekend onder de naam Commissie Rinnooy Kan; rapport: Omzien naar de omroep - rapport van de visitatiecommissie landelijke publieke omroep (zie o.a. http://www.ottodomein.nl/visitatie.htm en de aantekening hier en deze .) Voor de opdracht aan de beoordelingscommissie zie art. 30c vierde lid (hier). 30 Volgens de MvT bij het voorstel dat geleid heeft tot de wet van 23 maart 2000, Stb. 138 is de concessie: het toekennen en bevestigen van een opdracht, waaraan nadere voorwaarden kunnen worden verbonden. (blz. 10) 31 Art. 30a Mw hier. 32 MvT bij het voorstel dat geleid heeft tot de wet van 23 maart 2000, Stb. 138, blz 11. Of ook de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag tot de deelnemers gerekend moeten worden is twijfelachtig (MvT blz. 12). De politieke partijen met zendtijd voor landelijke omroep worden er in ieder geval niet toe gerekend. 33 Deze voorschriften zijn zowel specifiek voor iedere (soort) instelling, als meer algemeen voor meerdere instellingen; ze zijn kwalitatief (aard en doel van het uit te zenden programma) en kwantitatief (percentages tijd te besteden aan cultuur, informatie en cultuur bijv. of te besteden met Europese programma's). 34 Art. 15 (hier) en 51b (hier): De NPS verzorgt een programma dat bestaat uit onderdelen die voorzien in de bevrediging van in het volk levende maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke behoeften, zodanig dat dit programma te zamen met de programma's van de andere instellingen die zendtijd voor landelijke omroep hebben verkregen, een evenwichtig beeld oplevert van de maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke verscheidenheid in Nederland. 35 Zie art. 39a Mw hier. 36 Zie de besluiten via http://portal.omroep.nl/nossites?nav=nhrrmFsHjCqBfEnCmDrD
Zie ook over het bestel: Triaal denken / Triale sectoren hier, notities over de triale inrichting van maatschappelijke sectoren, uitgewerkt in: publieke omroep in een vernieuwd perspectief:
Meer opinies over het bestel en de wet:
|
Willem Otto ¤ info © 2000-2006 | |||
|
| ||||